Forum

Forum Navigation
You need to log in to create posts and topics.

Roy stelt provocerende vragen.

Roy is 13 jaar en gaat naar het VWO. Roy heeft ruzie met bijna al zijn leraren. Roy neemt namelijk geen blad voor de mond, stelt alles ter discussie en heeft overal commentaar op. Dat doet hij op een agressieve en provocerende manier. ‘U zegt dat we de tafels moeten schoonmaken, maar dat kan de schoonmaker doen. Die verdient eraan. Ik kan dat allang. Hoezo is het goed voor mij om te doen? U doet het toch ook niet? U heeft thuis een werkster. En trouwens, veel schoonmaken is helemaal niet goed, de goede bacteriën….. ’ De relatie met veel van zijn docenten en andere volwassenen is niet goed. Roy is hoogbegaafd en dan sociaal zo onhandig, is het oordeel. Klopt dat? En hoe is  het zo gekomen met Roy?

 

Toen Roy nog erg jong was, wilde hij graag meepraten over volwassen onderwerpen zoals de vluchtelingenproblematiek. Uit nieuwsgierigheid en omdat hij het interessant vond en er een mening over had. De volwassenen in zijn omgeving en vooral op school reageerden hier meermaals afwijzend op. Ze scheepten Roy af met nietszeggende woorden. Dit veroorzaakte diepe verontwaardiging bij Roy. Hij kreeg niet de aandacht die hij nodig had en hij voelde zich niet gehoord. Dit klinkt nu door in de manier waarop Roy vragen stelt. Zijn commentaar is geladen met verontwaardiging en pijn. Dit commentaar wordt niet geaccepteerd, Roy voelt zich weer niet gekend en zijn verontwaardiging wordt alleen maar dieper. Inmiddels is Roy gewend geraakt aan de negatieve reacties op zijn uitspraken. Hij heeft geen idee hoe hij zich anders zou kunnen uitdrukken. En omdat Roy heel graag gezien en gehoord wil worden, gaat hij door met deze provocerende manier van communiceren. Immers: negatieve aandacht is beter dan geen aandacht.

 

Wat heeft Roy nodig?

  • Een training sociale vaardigheden. Roy heeft te leren hoe hij zich met minder lading kan uitdrukken.
  • Een docent die Roy ‘ziet’ en serieus neemt. ‘Het is interessant wat jij daar zegt, kun je het uitleggen?’
  • Uitleg bij waarom dingen nu eenmaal gaan zoals ze gaan. ‘Je hebt wel gelijk met die schoonmaker, maar die schoonmaker is er nu niet. En het is voor de volgende klas vervelend als die in troep moeten werken.’ Of: ‘Inderdaad, die mondmaskers werken niet. Maar veel mensen krijgen er een goed gevoel bij als iedereen ze toch draagt. En dus moet jij er nu één op in de trein. Dat is dus voor het gevoel van anderen. Zo gaat dat soms. Maar in wezen heb jij gelijk.’